Introduction to the Dutch language/Lesson 3: Food

From Wikiversity
Jump to navigation Jump to search
  • De Ontbijt - Breakfast
  • De Middageten (or Lunch)- Lunch
  • De Avondeten - Dinner

Tafelgerei/Tableware[edit]

  • Het Bord - The Plate
  • De Vork - Fork

Ingrediënten/Ingredients[edit]

  • De Peper - The Pepper
  • Het Zout - The Salt
  • De Suiker - The Sugar

Eten/Food[edit]

  • De Pasta - Pasta
  • De Kaas - Cheese
  • De Soep - Soup
  • Het Ei - Egg

Groente/Vegetables[edit]

  • De Tomaat - Tomato

Fruit/Fruit[edit]

De sinaasappel op boom
  • De Appel - Apple
  • De Banaan - Banana
  • De Sinaasappel - Orange
  • De Citroen - Lemon
  • De Limoen - Lime
  • De Koffie - Coffee
  • De Wijn - Wine
  • De Aardbei - Strawberry

Vlees/Meat[edit]

  • De Kip - Chicken
  • Het Rundvlees - Beef
  • Het Varkensvlees - Pork

Sap/Juice (drinks too)[edit]

  • De Thee - Tea
  • Sinaasappelsap - Orange Juice
  • Appelsap - Apple Juice

Extra[edit]

How to ask if someone's hungry: Heb je honger?

How to ask if someone's thirsty: Heb je dorst?

Sentences[edit]

  • De vrouw eet een appel - The women is eating an apple
  • Ik ben een banaan! - I am a banana!
  • Wij hebben een tomaat - We have a tomato.